René Johannesma (42) kreeg euthanasie

Twee zomers terug drinkt René Johannesma (42) het drankje dat een einde aan zijn leven maakt. Hij is veertien jaar psychisch ziek geweest. Al in 2004 vroeg hij zijn huisarts om euthanasie, maar kreeg geen gehoor. Tot hij in 2011 terechtkomt bij GGZ inGeest en zijn verzoek uit aan psychiater Paulan Stärcke. Zij is bereid erover in gesprek te gaan. Een portret.

Vier tompoezen, vier aardbeiengebakjes, zes blikjes cola, een zak M&M’s, vijf pakjes sigaretten en een Ajaxaansteker. Dat zijn de boodschappen die René Johannesma (42) op 26 juni 2012 op de band legt bij de Jumbo in Buitenveldert. Zijn moeder moet betalen, zelf heeft hij geen geld mee. Het zullen zijn laatste boodschappen zijn: morgen drinkt Johannesma, al veertien jaar psychisch ziek, een beker met een euthanaticum. Met zijn familie en de gebakjes wil hij zijn laatste dag zo aangenaam mogelijk maken.

Zijn ouders, Agnes en Jan Johannesma, rijden hem naar het hospice aan de Plantage Middenlaan in Amsterdam waar hij zijn laatste dag doorbrengt. Het is een zonnige dag. Als het laatste schapenwolkje oplost in de blauwe lucht, zegt hij: ‘Ze hebben de deur vast voor me opengezet.’

Onbehandelbaar

René Mathias Johannesma wordt geboren op 30 maart 1970. Een vrolijk, actief kind. Al in de box speelt hij met een bal. Sinds zijn zesde zit hij in Amsterdam op voetbal. Van zijn voetbalvrienden krijgt hij de bijnaam Witte Flits, vanwege zijn blonde haar en snelheid. Een lange, sportieve man, aan wie vanbuiten niet te zien is dat hij ziek is. Johannesma is de tweede van drie kinderen.

Op 11 januari 2000 wordt Johannesma voor het eerst opgenomen. Drie maanden ervoor heeft hij zich ziek gemeld op zijn werk. Reden: een burn-out. De pijn in zijn hoofd gaat niet weg. Hij kan om kleine dingen heel boos worden, zegt dat hij zichzelf iets gaat aandoen. Op de Psychiatrische Afdeling Algemeen Ziekenhuis (PAAZ) van het Lucas Andreas in Amsterdam verblijft hij tien weken. De conclusie van de artsen: een persoonlijkheidsstoornis. De artsen zien geen duidelijk ziektebeeld. De pijn in zijn hoofd kunnen ze niet verklaren. Hij is onbehandelbaar en mag weer naar huis.

In 2004 vraagt Johannesma voor het eerst om euthanasie aan zijn huisarts. ‘Dat kan niet,’ is het antwoord. ‘Het verzoek van René Johannesma was niet weloverwogen. Hij had last van stemmingswisselingen,’ legt huisarts Gé Bontenbal uit.

De Wet toetsing levensbeëindiging (WTL) is dan twee jaar in werking, maar er zijn nauwelijks artsen die zich wagen aan euthanasie bij psychiatrische patiënten. Zijn ouders nemen zijn wens in eerste instantie niet erg serieus. ‘Dan moet ik het zelf maar doen,’ is het antwoord van Johannesma. In de gang van zijn huis hangt hij aan een dikke gasleiding demonstratief een strop op. Vier jaar later schrijft hij een brief naar zijn huisarts, met opnieuw een euthanasieverzoek. Zonder resultaat. Johannesma is dan tien jaar ziek. Zijn ouders Jan en Agnes zien in dat Johannesma’s leven niet meer draaglijk is. Ze praten met elkaar over hoe het zou zijn als hij er niet meer is. Agnes verdiept zich in de mogelijkheden voor zelfdoding. Tegen Johannesma heeft ze gezegd: ‘Als jij echt dood wilt, gaan we het wel netjes doen.’ Niet meer op het dak staan, maar het goed regelen.

Naar een hospice
23 november 2011. Jan en Agnes komen naar de kliniek voor een familiegesprek met psychiater Paulan Stärcke, die Johannesma behandelt. Het gaat slecht met hem. Hij laat zich vrijwillig opsluiten in de isoleercel, is bang dat hij anderen wat aandoet.

‘Weet u zeker dat René euthanasie wil?’

‘Ja. René heeft het er steeds over.’

‘Wat vindt u daarvan?’

‘Dat begrijpen we wel. Ik zou deze situatie zelf ook niet zo willen.’

‘Wij willen hem daarmee helpen.’

Volgens Stärcke is behandelen voor Johannesma geen oplossing meer. ‘Hij zou wegkwijnen in een kamertje van de chronische afdeling.’ Ze acht zijn verzoek weloverwogen. ‘Een persoonlijkheidsstoornis is een moeilijke diagnose. De communicatie met anderen is verstoord. Toch merkte ik in mijn gesprekken met René dat hij wel degelijk kon reflecteren op zijn eigen situatie en inzag dat hij ziek was en dat zijn lijden niet opgelost kon worden.’

Op 20 juni horen de ouders dat Johannesma’s euthanasie definitief doorgaat. Het gaat een week later gebeuren, op 27 juni 2012. Niet in de kliniek, dat kan niet, maar in een hospice. Stärcke: ‘Sterven in de kliniek ging net een brug te ver. We waren bang dat de andere patiënten dat niet zouden kunnen verwerken.’

Een gekookt eitje
Johannesma wordt om 7 uur wakker. Het is 27 juni 2012, de dag waarop zijn zelfgekozen dood zal plaatsvinden. ‘Jezus, mijn kop weegt wel drieënhalve ton.’ Met een vertrokken gezicht en zijn handen op zijn slapen zit hij op bed. ‘Het liefst zou ik mijn hoofd tegen de muur slaan.’ De ontspannen René van de dag ervoor is verdwenen. De lijdende, machteloze man is terug.

Op het nachtkastje in het hospice staat een witte mok. Johannesma kreeg hem op de basisschool. Op de ene kant staat het logo van zijn school. Op de andere kant, in zwarte letters: ‘géén pijn meer.’

Hij heeft de tekst er zelf opgeschreven. Om hem te herinneren waarom hij de beker moet leegdrinken: nooit meer die pijn in zijn hoofd. Eerst ontbijten, een gekookt eitje. Om tien uur is het zover.

‘Het gaat nu gebeuren’
Iets voor tienen komen de psychiater, de directeur van de zorginstelling en een verpleegkundige zijn kamer binnen. Een broeder van de ambulancedienst legt een infuus aan. Dit wordt gebruikt wanneer blijkt dat Johannesma niet na een uur uit zichzelf gestorven is. Johannesma vindt het moeilijk om zijn familie verdrietig aan zijn bed te zien staan als hij de beker drinkt. Daarom wachten Jan, Agnes, Peter en Carla op de gang. Het lijkt uren te duren. Dan, opeens, steekt René’s hoofd door de deuropening. ‘Het gaat nu gebeuren.’ Hij heeft het middel gedronken. Géén pijn meer. Nog vijf minuten en hij raakt in coma. Het hele gezin staat om het bed. ‘Ik hou van jullie hoor.’

Op zijn rouwkaart staat een uitspraak van hemzelf:
‘Mama, als ik dood ben
wil je dan altijd blijven denken:
Hij is uit zijn lijden verlost.’

Dit verhaal is geschreven door Lisa Koetsenruijter, Rianne Lachmeijer en Regina Rijpkema. Dit onderzoek werd gedaan voor hun master Journalistiek aan de Universiteit van Amsterdam.

Lees hier het artikel met beeld op De Correspondent

Advertenties